Oeralindaboek

De onechtheid van het Oera Linda-Bk, aangetoond uit de wartaal waarin het is geschreven.
Door J. Beckering Vinckers.

(deze tekst is ook te downloaden als PDF-bestand)

Kalma-bibliografie (1956), nr. 84.
Haarlem, Erven F. Bohn. 1876.

Ziet, het is eenerlei volk, en eenerlei
spraak is onder hen allen. Gen. XI vs. 6.

Op uitnoodiging van de Regelingscommissie voor ’t XIVde Nederlandsche taal- en letterkundig Congres, ben ik met mijn vriend, Mr. NANNINGA UITTERDIJK , uit de stad der snuggere streken opgetogen naar de grijze Maasstad, om een woordje in het midden te brengen over een zeker iets, dat, sedert het uit den schoot der verborgenheid, waarin het, niemand weet hoe lang, had verscholen gelegen, te voorschijn kwam, menig brein plus ettelijke pennen in beweging heeft gebragt. Het merkwaardig verschijnsel, waardoor al deze opschudding is veroorzaakt, staat bekend onder den naam van OERA - LINDA - BOK . Lieden, die met de zaak niet op de hoogte zijn, zonden, op gemelden naam afgaande, wel eens op het denkbeeld kunnen komen, dat wij twee Kampers naar het land van den St. Pietersberg waren getrokken, met het deugdzaam opzet om in een der achtbare vergaderingen van het bovengemeld Congres een of ander merkwaardig exemplaar van het bokkeras ter sprake te brengen.

Hoewel het misschien bij slot van rekening zal blijken, dat er tusschen bok en Oera-Linda-Bok in zekeren zin wel eenige, ja zelfs veel verwantschap bestaat, wordt toch met Oera-Linda-Bok geen bok in den dierlijken zin des |4| woords bedoeld, maar eenvoudig een boek. 1 Als ik zeg “eenvoudig een boek”, dan dient men daar vooral niet uit op te maken, dat het O.-L.-B. een boek is als andere boeken; want het O.-L.-B. is een van de allerwonderlijkste boeken, die ooit ter wereld zijn verschenen.

't Is een boek dat, in handschrift, niemand weet hoe lang, een erfstuk is geweest in de familie Over de Linden; dat handschrift is geschreven in een letterschrift, waarvan de weerga nergens is te vinden; in een taal, wier gelijke in de gansche, wereld te vergeefs wordt gezocht over zaken waarvan geen sterveling ooit iets heeft gehoord; in een tijd, 2 waaruit tot nu toe geen ziel ooit een letter Germaansch heeft gezien, terwijl het tevens – en dat zet aan alles de kroon op – ondanks dezen de alleroudste Duitsche taalgewrochten een kleine duizend jaar overtreffenden ouderdom, is geschreven in een stijl, die niemendal verschilt van dien, waarvan een Nederlander uit de 17 de , 18 de of 19 de eeuw na Christus, zich zeer gevoegelijk zou kunnen bedienen.

Het letterschrift is, vergeleken met de ± zestien runen waarmee ons voorgeslacht het lang deed, een wonder van volledigheid; het bevat zelfs teekens voor letters, van wier bestaan in de oudste Duitsche taalmonumenten van ± 350 NA Christus nog geen zeker blijk wordt gevonden. De inhoud is het negende wonder der wereld.

Den tegenwoordigen eigenaar, den heer C. Over de Linden, is dit wonderboek in 1848 na Christus ter hand |5| gesteld door zijne tante, mejufvrouw Aafje Meijlhof, te Enkhuizen, op last van zijn grootvader, den heer Andries Over de Linden, die in 1820 overleed, en toen den tegenwoordigen bezitter – destijds slechts 10 jaar oud – zeker te jong achtte om hem zulk een kostbaren schat toe te vertrouwen. 3

De tante heeft dan ook haren neef allen tijd gelaten om door rijpheid van jaren de noodige omzigtigheid op te doen: want eerst 28 jaren later, toen dus de heer C. O. L. reeds 38 jaar had meegedaan, heeft zij aan 't gebod van den grootvader gevolg gegeven en het haar toevertrouwde pand aan den rechtmatigen erfgenaam overgedragen. 4 Deze had het kostbaar erfdeel weer een kleine 20 jaren onder zich gehad, toen hij eindelijk op een denkbeeld kwam, dat bij geen der vroegere leden zijner familie was opgekomen. En dat denkbeeld was? Eens een deskundige te raadplegen, ten einde gewaar te worden, wat toch wel de inhoud van dit wonderboek mogt zijn; want schrift en taal waren hem onbekend. 5 |6|

De geleerde, wien de eer te beurt viel het eerst met dit lettergewrocht kennis te maken, was Dr. E ELCO V ERWIJS . In den jare 1867, den 17 December, gaf deze, toenmaals archivaris van Friesland, verslag van zijne bevinding, en tevens bericht, dat de eigenaar hem het handschrift bij katernen had toevertrouwd om het af te schrijven en te vertalen. Het afschrift werd wel door toedoen van Dr. E. V., maar de vertaling en de volledige uitgave eerst in 1872 door Dr. J.G. Ottema tot stand gebragt. Reeds in 1871 had deze ijverige geleerde een uitvoerig verslag uitgebragt, laten drukken en verspreiden, en dusdoende de algemeene aandacht op dit hoogst merkwaardig proefstuk van Friesche nijver-, ik wil zeggen oudheid, gevestigd, en dientengevolge vrij wat drukte gaande gemaakt. Immers, pas was het uitvoerig verslag plus taalproeve verschenen, of er gingen uit verschillende hoeken van het lieve vaderland ettelijke stemmen op, die dit kostbare overblijfsel van stokoud-Friesche oudheid eenvoudig voor een opgemaakte mouw verklaarden. Maar het merkwaardige boek vond manhafte verdedigers. Drie mannen vooral sprongen kloekmoedig voor de eer van het O.-L.-B. in de bres: primo: Dr. J.G. OTTEMA, secundo: Dr. ANNE TJITJES REITSMA, tertio : Prof. Dr. VITRINGA. Mark the Friesians in the names!

Dr. OTTEMA en Dr. REITSMA zijn van de echtheid van het wonderboek hartgrondig overtuigd; Prof. V ITRINGA is niet geheel gerust. Hij heeft in de Deventer Courant het voor en tegen met groote naauwgezetheid overwogen. Hij heeft het boek lief gekregen en hij kan zich niet wel met het denkbeeld vereenigen, dat het boeren- of liever geleerdenbedrog is. “Is het bedriegerij,” zegt hij, “wie zou ze gepleegd hebben? Niet de eerste de beste was tot zoo iets |7| in staat. Daartoe werd vereischt een naauwkeurige kennis van de Oudfriesche taal, waarvan slechts enkele gedenkstukken (!!) en dus een zeer geringe voorraad van woorden bestaat, en bovendien kennis van die taal, zoo als ze zich in den loop der tijden wijzigde. Een merkwaardig verschil toch valt er op te merken tusschen de taalvormen, waarvan de eerste en de laatste samenstellers zich bedienen. De vervalscher moest een historische en geographische kennis hebben, zooals zelden wordt aangetroffen. Jaren lange studie was onverbiddelijke voorwaarde, ‘t schrijven van 't vreemde letterschrift was een zure arbeid. En wat voordeel kon de schrijver van zijn werk verwachten?”

Ik behoud mij voor op al deze vragen, voor zoover dat op mijden taalkundigen weg ligt, 6 de noodige, bevredigende antwoorden te geven. Voor 't oogenblik wil ik alleen de aandacht vestigen op 's Hoogleeraars beweren, dat de vervaardiger van 't O.-L.-B. een naauwkeurige kennis van de oudste Friesche taal ent hare historische ontwikkeling moest bezitten. Op dit punt stemt Prof. Vitringa volkomen overeen met Dr. Ottema, die zich in de inleiding voor het O.-L.-B. aldus uitlaat: “De taal is overoud Friesch, nog ouder en zuiverder, dan de taal van het Friesche Rjuchtboek of oude Friesche wetten”!!!! En gelijk Prof. Vitringa en Dr. Ottema, zoo denkt ook Dr. Anne Tjitjes Reitsma, die zich in de Noordstar van 9 November 1873 aldus laat hooren: De taal waarin het (O.-L.-B.) is geschreven, komt het meest overeen met, maar is ouder en zuiverder dan de taal der oude Friesche wetten!!!! |8|

Iedereen zal mij toestemmen, dat iemand, om dusdanige verklaring over de oudheid en zuiverheid der taal van het O.-L.-B. af te leggen, zelf met een zeer naauwkeurige kennis van het O.friesch moet zijn toegerust, en bekend moet zijn met de kenmerken, die den taalbeoefenaar in staat stellen om het oude van het minder oude, het zuivere van het meer verbasterde te onderkennen.

En hoe staat het nu ten dezen opzigte met de drie meer genoemde verdedigers van het O.-L.-B. geschapen? Er bestaat zeer gegronde reden om te vreezen, dat alle drie in dezen mirum quantum te kort schieten. Deze vrees bekruipt ons reeds bij het waarnemen van zekere niet erg geruststellende, neen, hoogst onrustbarende verschijnsels. Om vooreerst van niets anders te gewagen – Prof. Vitringa beweert in zijne opstellen, dat de gedenkstukken der O.friesche taal niet hooger dan tot de 15de eeuw opklimmen; en nu is het volkomen zeker, dat er O.fri. documenten bestaan van ten minste de 14de eeuw, b.v. van 't jaar 1385, die reeds bij Driessen in de Monumenta Groningana staan afgedrukt, en nog onlangs door wijlen den heer De Haan Hettema met verbeterden text zijn medegedeeld.

En Dr. Ottema? Geeft om de meerdere oudheid en zuiverheid der taal van het O.-L.-B. te staven een O.fri. stuk, dat niet ouder is dan 't jaar 1466, dat natuurlijk volstrekt geen fair specimen, geen echte proef van 't oudste Friesch is, evenmin als de door Dr. Ottema daarvan vervaardigde vertaling in de taal van het O.-L.-B. geschikt is een juiste voorstelling van den taalkundigen toestand van dit geschrift te geven. Immers zijn in die vertaling opzettelijk zulke woorden gekozen, die er op 't oog het meest ouderwetsch uitzien, waarbij echter de vertaler zich niet zelden door den schijn heeft laten bedriegen en voor |9| ouder heeft aangezien, wat inderdaad jonger is. Buitendien komt onder alle rechtschapen oudere vormen en woorden niets hoegenaamd voor, dat niet even oud of nog ouder uit de Friesche wetten is te halen.

En Dr. Anne Tjitjes Reitsma? Deze sluit alle onderzoek nopens de taal van het O.-L.-B. uit, omdat uit den tijd, waarin het O.-L.-B. heet geschreven te zijn, geen documenten zijn overgebleven, waarmee men ze zou kunnen vergelijken, en toch verklaart hij, o wonder! de taal van 't O.-L.-B. voor ouder en zuiverden dan die van de oude Friesche wetten!! Op grond van deze verklaringen zou men kunnen vragen: Welke zijn dan toch wel de kenmerken geweest, die door gemelde drie onderzoekers zijn gebezigd om het gehalte van oudheid en zuiverheid der taal van het O.-L.-B. te toetsen? Ik weet het niet; dit is echter ontwijfelbaar zeker, dat het niet de rechte zijn geweest. Immers – het zij met allen eerbied voor de bekwaamheden dezer drie heeren in andere opzigten gezegd – immers, iemand die maar tamelijk met de eigenlijke in dezen noodige kenmerken vertrouwd is, moet, zoodra hij maar eene enkele bladzijde van het O.-L.-B. heeft gelezen, noodzakelijk tot het besluit komen, dat de taal waarin dit product is geschreven, een allerverfoeilijkst mengelmoes is, een wartaal, gevloeid uit de pen van een zeker in andere opzigten niet onkundig, maar in de allereerste gronden van de spraakkunst der verwante Duitsche talen in 't algemeen, en van de O.friesche taal in 't bijzonder volkomen onbedreven persoon; een wartaal, geen haar beter dan Neger-Engelsch; een wartaal, die het O.-L.-B. maakt tot een schandvlek in de rij der hoogst gewigtige overblijfselen van O.friesche taal.

Ik ben zeker de eerste niet, die zulk een ongunstig |10| oordeel over de taal van het O.-L.-B. velt. In sommige der in den Spectator verschenen stukken is er ook de staf over gebroken. Dit heeft echter de hoofdverdedigers der echtheid niet aan het wankelen gebragt. En waarom niet? Omdat er eigenlijk geen afdoende argumenten werden bijgebragt. En waarom werden ze niet bijgebragt? Omdat zij die wel wilden niet konden, en zij die wel konden niet wilden. De mannen der gezonde taalwetenschap schijnen het namelijk beneden hunne waardigheid te hebben geacht om zulk een ellendig zamenraapsel van oud en jong, zulk een bajert van spraakverwarring, die op elke bladzijde, neen, in elken regel van de 126 pagina's druks die het beslaat, voor 't oog van den kenner zijn onechte geboorte door onmiskenbare bewijzen zelf bloot legt, met ernstige wetenschappelijke argumenten te bestrijden. En toch is het meer dan tijd dit gedrochtelijke onding door een ernstig wetenschappelijk onderzoek in zijn waren aard ten toon te stellen. Er is periculum in mora. Men begint zich op den inhoud van het O.-L.-B. als op een gezaghebbende bron te beroepen. 't Is thans ook in vreemde talen, onder anderen in 't Engelsch, overgebragt; een Engelschman heeft zich zelfs de moeite getroost, het handschrift in Den Helder in eigen persoon in oogenschouw te komen nemen. Er is naar Den Helder een bericht gezonden, dat de Engelsche vertolking in Engelsche couranten wordt aanbevolen en dat men van plan is, het oordeel van Max Müller uit te lokken.

De heer Dr. Ottema blijft maar steeds aan de echtheid gelooven en maakt zich, naar ik hoor, gereed, nog eens weer een voordragt over zijn lievelingsboek te houden; voorname lieden geven nog steeds bewijzen van hooge belangstelling in dit quasi-Oudfriesch taal-monument; ja, de heer |11| Leendertz heeft door een onvoorzigtige uitdrukking in zijn, in den Navorscher van Dec. 1875 geplaatst, betoog van de onechtheid, aanleiding gegeven, dat het vroeger geloof aan den overouden oorsprong van 't O.-L.-B. bij de oude geloovigen nog is versterkt. Er bestaat nog altijd reden genoeg om de onechtheid van dit geheimzinnige letterprodukt met onweerlegbare bewijzen te staven. En hoe moet het onderzoek, dat deze bewijzen moet leveren, worden ingericht? Taalvergelijkend. Maar waarmee zal men de taal van het O.-L.-B. vergelijken? Immers het oudste gedenkstuk der met het Oudfriesch verwante Duitsche talen klimt op zijn hoogst tot 350 na Christus geboorte op; het oudste Friesch op zijn best tot het midden der 13de eeuw, terwijl het O.-L.-B., volgens Dr. Ottema's berekening, gedurende de jaren tusschen 558-50 voor Christus is opgesteld. Moet men dus niet met het oog op deze feiten erkennen, dat het O.-L.-B. in eenzame, ongenaakbare grootheid voor onze oogen staat? En blijft ons wel iets anders over dan met bewonderenden eerbied op de knieën te vallen voor dezen onwaardeerbaren schat van Friesche oudheid –

Dit kostbaar pronkjuweel, dat, onbevlekt en schoon,
Voortaan als keurgesteent' zal staan in Frieslands kroon?

Zoodanige eerbiedige bewondering zou honderd jaar geleden waarschijnlijk het eind van de historie zijn geweest. Maar nu – op voorgang van LEIBNITZ en onzen TEN KATE – GRIMM en BOPP in het tweede tiental van deze eeuw, en na heil een heerleger van gelijkgezinde noeste taalbeoefenaars, de taalstudie tot een inductieve wetenschap hebben verheven, nu zij de Duitsche taaltakken, waaronder ook het O.friesch behoort, in hunne historische ont- |12| wikkeling hebben bestudeerd en door hun grondig onderzoek de oorspronkelijke eenheid der Indogermaansche talen door onomstootelijke bewijzen tot een onweerlegbaar feit hebben gemaakt – nu hebben we een onfeilbaar middel om over de oudheid en zuiverheid van de alleroudste Duitsche taaloverblijfselen, ook over Oudfriesch van 558 jaar voor Christus geboorte, met grond een oordeel te vellen.

Door de vergelijkende taalstudie is het gebleken, dat de Duitsche talen in haar klankstelsels, haar buigingsvormen, d.i. declinatie, comparatie en conjugatie, in hoofdzaak met elkaar en met het Oudindisch, 't Grieksch, 't Latijn etc. etc. overeenstemmen; in dier voege dat de letters en vormen volgens vaste wetten veranderen, slijten en soms wegvallen, zoodat de oudste documenten in 't algemeen steeds de meest onverminkte, en minst versleten minst verzwakte letters en vormen vertoonen. De Indogermaansche eenheid komt dan ook steeds in die Duitsche gedenkstukken het sterkst uit, die in tijd het digtst bij de oude overblijfselen der onverschoven talen staan. Dus heeft het Gothisch van ± 350 na Christus geboorte in ‘t algemeen duidelijker overeenkomst met het Sanskriet dan het Angelsaksisch, Oudsaksisch of Oudhoogduitsch van ± 800, en deze drie weer meer dan het Oudfriesch uit de 13de of 14de eeuw. Daar het dan nu is gebleken dat alle Duitsche talen, ook het Oudfriesch, in al deze opzigten met elkaar en met de onverschoven talen in ‘t algemeen ééne lijn trekken, zoo moet ook het O.fri. van 558 etc. VOOR Christus, dat tusschen de Oudindische en Oudgrieksche aan den eenen kant, en de oudste Duitsche taaloverblijfselen aan den anderen kant, in het midden ligt en waaruit zich het bestaande Oudfriesch heeft ontwikkeld, noodzakelijk in klankstelsel en vormen met de overige |13| Indogermaansche talen overeenstemmen. En aangezien het O.fri. van het O.-L.-B. 900 jaar ouder heet dan het Gothisch en ongeveer 1800 jaar ouder dan het Friesch der oude wetten, zoo moet het er natuurlijk 900 jaar ouder uitzien dan het Gothisch en 1800 jaar ouder dan het O.fri. der wetboeken. Het moet tot het oudste bestaande Friesch der wetboeken en andere stukken ongeveer in dezelfde verhouding staan, als het Gothisch tot het ± 1500 jaar jongere Nederlandsch van den huidigen dag.

En indien we nu met deze, op onomstootelijke gronden rustende, wetenschappelijke overtuiging gewapend het O.-L.-B. aandachtig bezien - welk is dan ons besluit? Dit, dat in 't geheele O.-L.-B. geen enkele rechtschapen oudere vorm voorkomt dan in de Oudfri. wetten; dat omgekeerd alle waarlijk oude vormen van 't O.-L.-B. ook in de O.fri. wetten voorkomen; dat voorts die oude vormen door het gansche O.-L.-B. heen vermengd zijn met een reeks zoo nieuwe en tevens zoo onfriesche vormen, dat ze noch met het O.fri., noch zelfs met het Nieuwfri., maar dikwijls alleen met het Nieuwnederlandsch overeenkomen. Voorts brengt ons een aandachtige beschouwing van de taal van het O.-L.-B. tot de overtuiging, ten eerste: dat de zamensteller volstrekt niet op de hoogte was met de geslachten der zelfstandige naamwoorden, ofschoon die door het, volkomen met dat der verwante Duitsche talen overeenstemmend, vast gebruik van't bestaande O.fri. voor een kenner gemakkelijk genoeg zijn te herkennen; ten tweede, dat het O.-L.-B. wel ettelijke oudere vormen schijnt te bevatten, maar dat dit ook enkel schijnoudheden, louter afleidkundige verlustigingen van den afleidzieken schrijver zijn, die echter van de allereerste gronden der afleidkunde niet het minste besef heeft, zoo weinig, dat hij Germaansche woorden van 558, neen, over- |14| oude Grieksche en Latijnsche woorden zamengesteld acht uit Nederlandsche of Friesche van den jongsten tijd. Indien de taal van het O.-L.-B. werkelijk de taal is waarvan de Friezen en Friezinnen zich van 558-50 voor Chr. bedienden, dan zijn we genoodzaakt aan te nemen dat die arme zielen, als ook hunne nazaten nog eeuwen later, ten prooi zijn geweest aan een soort van taalkundige krankzinnigheid, ten gevolge waarvan zij niet alleen het oudste en het nieuwste, maar ook – en dat is erger – al de in de verschillende verwante talen vaststaande buigings-, met name naamvalsvormen, zoo schromelijk door elkaar haspelden, dat de door hen geschreven text van het O.-L.-B. er in dit opzigt honderd maal schandelijker uitziet dan een opstel in een vreemde taal van een jong mensch, dat zich taalkundig volkomen onbeslagen op het gladde ijs van een eindexamen heeft gewaagd. In al deze merkwaardige eigenschappen stemt het gansche negental voor-Christelijke Friezen en Friezinnen, aan wie de zamenstelling van het O.-L.-B. wordt te laste gelegd, volkomen met elkander overeen zoodat en Adela, en Adelbrost met zijne Apollonja, en Frethorik met zijne Wiljow, en Dela (alias Goza), en Konereed, en Rika, en Beeden, en de ongenoemde schrijver of schrijfster die aan het laatste stuk handdadig is geweest, van den meest barmhartigen examinator voor hunne taalkennis het laagst mogelijke cijfer zouden hebben ontvangen: zij zouden allen gedropen zijn als stralen.

Leefden we twee-, drieduizend jaar vroeger, dan zou men wellicht in deze linguistische krankzinnigheid, waarmee – en dat doet de deur toe – ook Liko van 803 en Hidde van 1256 NA Christus behebt zijn, de eigenaardigheid van een bijzonder geslacht hebben gezien, dat in die vroege dagen, à la Prometheus, zich door zijn stoute |15| bespiegelingen en te hooge verstandelijke vlugt – want die voor-Christelijke Oera-Linda's houden er zeer bedenkelijke, uiterst geavanceerde denkbeelden op na – den toorn van Wralda, het hoogste wezen, had op den hals gehaald, en tot straf voor zijne vermetelheid met een Babylonische spraakverwarring was geslagen. Hoe dit zij, dit is zeker dat het Friesch der oudste zoowel als dat der jongste Oudfriesche wetten van dusdanige, in de geschiedenis der Duitsche talen geheel eenige, spraakverbijstering geen de minste sporen vertoont, ten minste geene andere dan die, welke de natuurlijke, aan alle menschentalen eigen ontwikkeling meebrengt. De vormen welke in de Oudfriesche stukken bewaard zijn, worden steeds, in overeenstemming met het gebruik der andere verwante taaltakken, volkomen juist aangewend.

Zijn die oude Oera-Linda's van den eenen kant met een Babylonische spraakverwarring behebt, van den anderen kant schijnen ze ook met Mozes op den berg Nebo te hebben gestaan. Hun gezigt is verhelderd, zoodat zij in 558-50 VOOR Chr. geboorte niet alleen klanken en vormen, maar ook zelfs geheele woorden zagen, kenden en zeer gemeenzaam gebruikten, die eerst eeuwen later, door verbastering van 't Latijn in een Franschen of Nederlandschen mond, zouden worden geboren. Voeg daar bij dat de schrijver telkens verklaring geeft van woorden, die in dien ouden tijd en nog honderden jaren later geen verklaring behoefden. Zoo zegt hij upath ê, thät is weter. Als men bedenkt, dat in 't Ags. van Alfred den Groote, in ’t laatst der 9de eeuw, ea voor water en stroom nog schering en inslag is, dan kan men licht begrijpen dat de Friezen, wier nazaten het woord, blijkens de vele namen van riviertjes die nog in Friesland den naam van ee (b.v. de Wîd' Ee) dragen, veel bezigden, lange jaren voor Christus nog |16| geen verklaring van dat woord behoefden. Van al deze eigenaardigheden levert iedere bladzijde van het O.-L.-B. de meest afdoende, de sterkst sprekende voorbeelden.

Voor dat ik echter met deze, de onechtheid van het O.-L.-B. onweerlegbaar bewijzende, feiten te berde kom, kan ik niet nalaten een vraag te opperen. Het is deze: Hoe komt het dat drie kundige mannen van letteren, die klaarblijkelijk het O.-L.-B. zeer aandachtig hebben gelezen en bestudeerd, ondanks al deze, de onechtheid van het O.-L.-B. luide verkondigende spraakverwarring, toch de taal in gemoede voor zuiverder en ouder dan die der Oudfri. wetten konden verklaren?

De beantwoording dezer vraag is niet zeer moeilijk. Het komt, omdat de beoefenaars der klassieke talen bij uitnemendheid, hier te lande, zooals ook nog dikwijls in Duitschland, zich meestal uitsluitend tot de studie van 't Grieksch en 't Latijn bepalen en van de nieuwe, wetenschappelijke, vergelijkende taalbeoefening, die alleen bij magte is kwesties als de onderhavige voor goed uit te maken, doorgaans zoo goed als geen kennis nemen. Hoezeer deze staat van zaken ook is te bejammeren, erg bevreemden kan hij ons niet, als we zien, dat een met recht hoog gevierde Hoogleeraar, Prof. C OBET aan wiens woorden onze klassieke geleerden met recht groote waarde hechten, uit louter vooroordeel de uitkomsten der grondige wetenschappelijke taalbeoefening op ééne lijn stelt met de onnoozele sufferijen van armzalige Alexandrijnsche en andere zwakhoofden, als hij in de Mnemosyne (Nieuwe Serie, deel 2, 2de gedeelte, pag. 176) zegt: Thans is een nieuwe afleidkunde in zwang, maar, ronduit gezegd, de tegenwoordige KUNDE baart volstrekt niets geloofwaardigers dan de vroe- |17| gere ONKUNDE . 7 En dit wordt gezegd door een hoogleeraar, die aan dezelfde hoogeschool geplaatst is als Prof. KERN !!

En nu ben ik bereid al het boven tegen de echtheid van het O.-L.-B. ingebragte, met de meest overvloedige en overtuigende bewijzen te staven.

Ik zal beginnen met het meest in 't oog vallend en het meest afdoende kenmerk, 't welk bewijst dat het O.-L.-B. vervaardigd, en tamelijk laat vervaardigd is door een persoon, die niet den woordenschat der Oudfriesche oorkonden wel, maar met de beteekenis der vormen, vooral der naamvalsvormen, volstrekt niet bekend was. De verwarring op dit punt is zoo verregaande, ja zoo belagchelijk, dat er geen schijn van mogelijkheid bestaat om die met Dr. Ottema op rekening der afschrijvers te stellen. Neen, alleen de eindelooze onkunde van een in de vormleer oningewijde kan het heerschend wangebruik verklaren. De schrijver verkeert in den toestand van iemand, die een vreemde taal verstaat, maar ze niet kan spreken of schrijven. Dat zoo iets zeer mogelijk is, daarvan kan ieder die vreemde talen onderwijst, of maar aan talen doet, zich zelf dadelijk overtuigen. Laat b.v. iemand die enkel een Hoogduitsch boek kan verstaan, eens beproeven over een of ander onderwerp een opstel in 't Hoogduitsch te maken, en er zal iets voor den dag komen, dat vrij wel met den taalkundigen toestand in het O.-L.-B. overeenkomt. Wat zeg ik? Er bestaat groote kans dat de taal van zulk een opstel er nog fatsoenlijker zal uitzien dan de taal van het O.-L.-B., omdat de vervaardiger van dit laatste in een waan ver- |18| keerde, die hem verleidde zekere vormen boven andere te verkiezen en juist daardoor heeft hij de verwarring ten top gevoerd.

De schrijver heeft zich namelijk door langdurige studie de taal der Oudfriesche stukken eigen gemaakt, en waar die hem in de steek liet, zoo veel hij kon, Nieuwfriesche woorden gebezigd. En nu heeft hij bestendig woorden met zware uitgangen, die hij in de Oudfr. wetten vond, OPZETTELIJK gekozen, ten einde zijn taal een ouderwetsch aanzien te geven. Daar hij echter niet de beteekenis dier uitgangen volstrekt niet op de hoogte was, liep hij natuurlijk gevaar de schromelijkste flaters te begaan; en dat heeft hij dan ook gedaan dat het een aard heeft, en heeft het daardoor den deskundige doodgemakkelijk gemaakt, het gepleegde bedrog te ontdekken en aan den dag te brengen.

Om in dezen ook den in de vormleer der O.fri. taal oningewijde in staat te stellen, om zich van de vervaarlijke onwetendheid van den schrijver op dit punt te overtuigen, zal het noodig zijn het gevestigd taalgebruik van het oudst bestaande Friesch, zooals zich dat vooral in het Rustringer wetboek vertoont, zoo kort mogelijk mede te deelen.

Deze mededeeling is ons zeer gemakkelijk gemaakt door MORITZ HEINE , die, op 't voetspoor van Grimm en steunende op het door den Vrijheer Von Richthofen met echt Duitsche noestheid vervaardigde Oudfriesche woordenboek, 8 |19| en tevens geleid door eigen studie, in zijne Kurze Grammatik der altgermanischen Sprachstämme, al wat we noodig hebben, bijeen heeft gebragt.

Behalve de O.fri. vormen heb ik er ook een weinig Gothische bij gedaan, ten einde den lezer in staat te stellen, door eigen vergelijking zich een denkbeeld te maken van 't verschil, dat een honderd jaar of negen altoos in 't uiterlijk voorkomen van een taal teweegbrengt.

't Oudfriesch is wel niet rechtstreeks uit 't Gothisch voortgekomen, doch beide zijn Duitsche taaltakken en beide behooren tot dezelfde hoofdafdeeling. Beide vertoonen de gemeenschappelijke kenmerken der Germaansche taaltakken, doch natuurlijk is in het een goede 900 jaar jongere O.fri. reeds zeer veel verdwenen, dat in 't Gothisch nog is bewaard; veel van 't geen de Gothen nog onderscheidden, was in 't O.fri. reeds gelijk geworden.

[…]

|30| Indien we nu met het bovenstaande gewapend de taal van de O.fri. stukken en van 't O.-L.-B. onderzoeken, dan zullen we alles bewaarheid vinden wat vroeger gezegd is.

I. Overal vertoont zich het O.fri der wetten en andere stukken in behoorlijke overeenstemming met 't Goth. en de andere Germaansche taaltakken, maar natuurlijk meer versleten dan het een goede 900 jaar oudere Goth.; doch de taal van 't O.-L.-B., die ± 1800 jaar ouder wil zijn, komt of overeen met 't bestaande O.fri. of is veel meer versleten en oneindig veel jonger.

II. Echter bestaat er tusschen het O.fri. en de taal van 't O.-L.-B. een gapende klove, hierin bestaande dat, zooals reeds meer is gezegd, in 't O.fri. der wetten etc. de boven opgegeven vormen volgens de door vergelijking der verwante Duitsche taaltakken vaststaande beteekenis worden gebezigd, terwijl 't O.-L.-B. alles door elkaar haspelt, en omtrent de beteekenis dier vormen in stikdonkeren nacht verkeert.

III. En deze onkunde vertoont zich niet enkel hier en daar, maar overal, van 't begin tot het einde toe. Al die quasi Oera-Linda's maken zich bestendig aan de grofste taalfouten schuldig, en dat niet alleen die voorchristelijke, maar – en dat is ons zeer welkom – ook L IKO , die in 803, en H IDDE , die in 1256 NA Chr. heet geschreven te hebben. L IKO schreef dus ongeveer in den tijd dat de Hêliand ontstond, H IDDE zoo wat in den tijd, toen de oudste bestaande Friesche wetten werden te boek gesteld. In den Hêliand nu en in de Oudfriesche wetten is, zooals we bij herhaling hebben gezegd, alles zooals dat volgens het eenstemmig taalgebruik der Germaansche talen moet zijn. Ja zelfs in O.fri. stukken uit 't laatst der 14de en zelfs uit de |31| 15de eeuw vindt nimmer zulke schromelijke zonden tegen het taaleigen, als waarvan het O.-L.-B. op elke bladzijde wemelt. 9

[…]

|52| […]
Het wordt dus volkomen bevestigd, wat ik vroeger heb beweerd, dat er in het gansche O.-L.-B. geen enkel rechtschapen ouder vorm wordt gevonden dan de bestaande o.fri. oorkonden opleveren. Geen spoor van een ouden dualis, geen spoor van een welbegrepen instrumentalis, geen spoor van een passieven vorm, geen spoor van onversleten persoonsuitgangen, niet eens bîm of stâm of dôm (ik ben, ga, sta, doe), niets van alle dingen waarvan in de zooveel jongere Goth., Ohd. en andere Germaansche |53| taaloverblijfselen meer of minder overvloedige voorbeelden worden aangetroffen. Aan schijnbaar oude vormen ontbreekt het in het O.-L.-B. niet, maar deze zijn alle door den vernuftigen zamenflanser van dit prachtig gedenkstuk van Friesche oudheid hoogst eigenhandig gefabriceerd, en dit brengt ons tot een zeer merkwaardige, eigenschap waardoor de schrijvers en schrijfsters van het O.-L.-B. zich onderscheiden. De voorchristelijke, schrijfzieke familie lijdt in een zeer erge mate aan etymologiseerzucht, een ziekte waaraan onze landgenooten reeds zeer vroeg hebben gelaboreerd.

Deze Oera Linda's behooren tot die onvervaarde etymologen die nergens voor staan; die alles weten te verklaren; die cordaatweg Oudindische, Oudgrieksche en Oudlatijnsche woorden in zeventiende- of achttiende-eeuwsche Nederlandsche of Friesche ontbinden; die – 't is eigenlijk te flaauw om er bij stil te staan, doch de manier waarop zeer geleerde mannen over deze flaauwigheden hebben gesproken, maakt het noodzakelijk – die Minerva uit minerva (mijn-erf) en Neptunus uit Neef Teunis ontstaan achten. Vooral deze laatste afleiding is voor de taalwetenschap van 't hoogste gewigt en alleen wel een millioen schats waard. lmmers leert zij ons dat de klankverschuiving ± 500 jaar voor Chr. reeds haar beslag had; de Germanen hadden toen neef met f, sommige volken aan de Middellandsche zee Nep met p, maar het merkwaardigste van dit merkwaardige geval is dat de klankverschuiving juist anders om heeft plaats gehad dan men tot nu toe algemeen had aangenomen. Want aangezien die lieden volgens het O.-L.-B. hun woord van de Friezen hebben overgenomen, zoo hebben zij van het Friesche Neef Teunis hun Nep tunus gemaakt, dat is: de Latijnsche p is uit de Germaansche f geboren, terwijl volgens Grimm’s wet, dat plechtanker der taalwetenschap, de Ger- |54| maansche f zich uit een vroegere p heeft ontwikkeld. Prachtig is ook Cadix uit kadîk (kade-dijk); waarbij de etymoloog vergat dat de oude vorm Gades of in 't Grieksch Gadeira was. Had hij dat bedacht, dan zou hij natuurlijk Gades uit Gâ dîk = dijk waarop men gaat, hebben laten ontstaan. Mooi is Himalaya uit himel-laya. Waarom niet liever Himel-aya = een berg die den hemel aait? Want wat is dat laia dat Dr. Ottema er ter verduidelijking tusschen twee haakjes bijvoegt? Ofri. laia is versmolten uit lathia, en beteekent indagen, Hd. nog laden, vorladen. Himâlaya is dus een berg die ten Hemel, voor 't hemelsche gerecht daagt? 10

Fo, volgens Max Müller's uiteenzetting de Chineesche klankwijziging, van Buddha, beteekent volgens den O.-L.-B.-schen etymoloog falsch waaruit altijd zooveel blijkt dat die voorchristelijke woordafleider Fransch verstond. Fo is natuurlijk niet maar zoo uit falsch, maar uit den verzachten Franschen vorm faux, van 't Lat. falsus, geboren.

In Lindaburch tonomath Lindasnose begaat de afleider een zeer vermakelijken, den Nieuwnederlander verradenden, flater. Met Lindasnose wordt natuurlijk kaap Lindesnes bedoeld, die door de Nederlanders abusivelijk kaap Ter Neus werd gedoopt, omdat zij in het nes van Lindenes hun neus zagen. 11 Door dit neus heeft de S. van 't O.-L.-B. |55| zich bij den neus laten nemen en van Lindesnes oolijk Lindasnose gemaakt. Het Oudn. nes is, zoowel als het Zweedsche näs en Deensche nœs, onzijdig, en beteekent uitsluitend landtong, voorgebergte, terwijl neus in 't On. nös, in 't Zweedsch näsa, en in 't De. nœse is, die allen, even als het Ofri. nose of nosi , vrouwelijk zijn. Merkwaardig is ook het licht dat door deze overoude woordafleiders over den oorsprong van ettelijke Germaansche woorden wordt verspreid. Zoo is ega volgens het O.-L.-B. uit ênga geboren, in plaats van uit e-gade, dat is ewa-gade, waarin eau = huwelijk is. In 't Ofri. slinkt ewa in zamenstellingen tot a en e, zoo in a-sega = ewa-sega = ju-dex = wetzegger en e-hera = wetheer; maar in 't Ofri. is ewa alleen wet. Voor huwelijk wordt steeds afte (Nederl. echt) 12 gebruikt, b.v. afte breka = echtbreken, aftigia = echten = huwen. Als eeuw = 100 jaar komt ewa in de Ofri. wetten ook niet voor, in 't O.-L.-B. zeer gewoon.

Maagd (Goth. magaths) heet door een bij de etymologen van den ouden stempel zeer beminde, maar door de wetenschappelijke woordafleiding verfoeide speling des vernufts mangêrta, d.i. natuurlijk mangeerte, d.i. een wezen dat den man begeert of door den man begeerd wordt!!!

Uit de wijze waarop de naam van 't hoogste wezen met een punt achter de twee eerste letters wordt geschreven, blijkt dat die twee letters een lettergreep op zich zelve moeten uitmaken, dat we het ûr-alda moeten lezen. Dit is al weer een etymologische speling van S.'s vernuft. Volgens hem is ûr-alde = de over-oude = het oudste aller wezens. Intusschen wordt Uralda ook voor wereld gebezigd, en het is dan inderdaad ook niets anders dan dit |56| door den afleidzieken schrijver van het O.-L.-B. ten behoeve van zijne verklaring verdraaide wereld, dat, zooals thans ieder weet, gesproten is uit vir-eld of ouder vir-aldi = menschen-leeftijd = alle op één tijd zamen levende menschen. Kostelijk is vooral de verklaring van Gedrosia als het land der gedrosten = die waren gaan drossen, een verklaring die, als vele andere, de, blijkens Neef Teunis = Neptunus, reeds tot stand gekomen klankverschuiving geweldig in het aangezicht slaat. Volgens Grimm's wet moest het land Ghetrosia of Gethrosia heeten.

Dit is dus weer een potsierlijk anachronisme. Doch wat praat ik van “weer een anachronisme,” – het geheele O.-L.-B. is van 't begin tot het einde één enkel kolossaal anachronisme, dat zich onder anderen ook openbaart in dien langen sleep van woorden, welken we eerst in de middeleeuwen langzamerhand door verbastering van 't Latijn in den mond van Franschman of Nederlander in de wereld zien komen. Zie hier een zootje, dat voor veel vermeerdering vatbaar is. Den bastaarduitgang eeren hadden deze voorchristelijke Friezen en Friezinnen, even als de middeleeuwsche, naar 't model van delibereeren en dergelijke, zeer gemeenzaam in gebruik. Ook had het Lat. caseus, in die grijze oudheid, reeds tsys opgeleverd, en uit expensa was reeds spisen, uit feriari reeds fyria, uit probare reeds prova, uit magister reeds master, uit clarus reeds klaar, uit falsus reeds falsk, uit pixpik, uit palus (paludis) – pôl = poel, uit coronakron en krunna, uit via strâtastrêta, uit catenakêdne, uit cameluskêmle, uit tabulatêfel, uit calixchelka, uit venemumfenîn, uit securussikur, uit perulaperlum, uit constare, costarekestlike, uit pœna(buk)-pîn, uit breuebrêf, uit pestispest, uit offerre|57| offerja voortgekomen; voorts uit 't Grieksch presbyterprêster, uit kuriakêkerk, welke laatste niets voor-christelijk-heidensch, maar erg christelijk rieken. Verbazend voorbarig waren die oude Friezen ook, als ze kana (schuit) gebruikten, dat in Oudduitsche gedenkstukken niet voortkomt, maar oorspronkelijk een Caraïbisch woord schijnt te zijn, en vampyr, dat van 't Servische vampyr wordt afgeleid. Hadden die onchristelijke Friezen reeds kerk uit het Grieksch aan de Christenen, die nog niet bestonden, bij voorbaat ontleend, even voorbarig hadden ze be-amen, d.i. amen op iets zeggen, maar vast uit den bijbel gehaald. Dat was zeker altemaal zeer knap. Knap was het ook dat zij cijfer van de Arabieren ontleenden, en hoogst merkwaardig dat het bij hen juist met dezelfde beteekenis (getalmerk) in gebruik kwam, die het later bij andere volken heeft gekregen, ofschoon het in 't Arabisch nul beduidt, een beteekenis die het Eng. cipher nog heeft bewaard. Uiterst knap was 't ook dat zij van het uit 't Middeleeuwsche of manarius of manuarios geboren Fransche manière, een adjectief manêrlik afleidden, en van het Fransche leçon, precies als wij, het woord les vormden en dat gebruikten, als of ze niet ettelijke eeuwen voor, maar meer dan duizend jaar na Christus hadden geleefd.

Het zoo volledige letterschrift, dat reeds teekens heeft voor klanken, die zich in 't Goth. nog niet eens vertoonen, is ook, net als 't geheele boek, een anachronisme, en tevens, even als 't geheele wonderproduct, een aardig verzinsel. Iemand die in staat was een boek als het O.-L.-B. uit zijn brein te halen, was natuurlijk ook wel in staat om uit een cirkel met wat middellijnen, stralen en koorden een hoop letters zamen te stellen, die, op de keper |58| beschouwd, niet veel anders zijn dan opzettelijke ver- of naknoeisels van de gebruikelijke letterteekens.

Niemand zal, hoop ik, na al het boven uiteen gezette, den afschuwelijken taalkundigen toestand van 't O.-L.-B. zoeken te verklaren, door met Dr. Ottema te vragen, of de taal van Homerus wel zoo veel minder beschaafd is als die van Plato. Alleen in de peillooze grammaticale onkunde van een taalknoeijer kunnen gemelde doodzonden tegen de klank-, vorm- en zinleer hare verklaring vinden. Buitendien gaat Dr. Ottema's vergelijking niet op. Tusschen Homerus en Plato (429-347) liggen naar de gewone rekening ± 600 jaar, tusschen Adela's geschrijf (zoo het echt was) en 't O.fri. der wetten etc. liggen ± 1800 jaar, en ondanks die zoo aanmerkelijk veel kortere tusschenruimte vertoont zich tusschen de taal van Homerus en die van Plato een veel grooter verschil – ik zeg niet in beschaafdheid – maar in oudheid van klanken, vormen en zinbouw, dan tusschen de taal van Adela en consorten en die der O.fri. wetten. Wat zeg ik? De taal der O.fri. wetten is veel ouder dan die van 't O.-L.-B. Bij Homerus treft men daarentegen een legio van vormen aan, waarvan men in het hoog beschaafde Attisch van Plato geen spoor meer kan ontdekken. En dan, welk een verschil in zinbouw, in wijze van denken en redeneeren, in intellectueele ontwikkeling. Maar hoe groot het verschil tusschen Homerus en Plato ook mag zijn, nooit openbaart zich dat door een barbaarsche verwarring van alle buigingsvormen, die rechtstreeks indruischt tegen de meest |59| onomstootelijke feiten der wetenschappelijke taalbeoefening. 13 |

De vrijheid die bij Homerus in ‘t gebruik van sommige vormen b.v. van 't futurum en den Subjunctivus heerscht, is een zeer natuurlijk gevolg van de in den tijd, toen de Homerische zangen ontstonden, nog niet zoo vastgewortelde vormverdeeling, een onvastheid die zelfs in de meest beschaafde Grieksche schrijvers nog sporen heeft achtergelaten, en die met de resultaten der taalstudie volkomen strooken, terwijl de verschijnselen van het O.-L.-B. met alle waarachtige wetenschap zooveel mogelijk den spot drijven. Eigenlijk gezegd is in dezen alle vergelijking ijdel, neen, ongeoorloofd. Geen rechtschapen man van letteren mag voortaan dat verfoeilijk taalkundig knoeiwerk, het Oera-Linda-Boek, in eenen adem noemen met de schoonste lettergewrochten die het verwonderlijk Grieksch genie aan de wereld heeft geschonken. Dat is heiligschennis.

Waar blijft nu dat meer zuivere, dat oudere dat Dr. Ottema en Dr. Reitsma in de taal van 't O.-L.-B. hebben ontdekt, waar die naauwkeurige kennis die volgens Prof. Vitringa, de schrijver van 't O.-L.-B. van de Ofri. taal moest bezitten?

Het Oera-Linda-Boek is wat de taal betreft, van dien aard dat het ons onwillekeurig doet denken aan een ons door een zeer geleerden en zeer schranderen Fries van den echten stempel 14 medegedeeld spreekwoord, dat luidt: Boeken ind bokken – ho folle scort it? En hierbij zou ik het vooreerst kunnen laten. Ik zou kunnen eindigen met de woorden waarmee Michel Cervantes zijn geschiedenis van Don Quichot besluit. Want ik hoop dat ik mij niet te veel aanmatig, als ik wat de Spanjaard van het dolende |60| ridderschap zegt, mutatis mutandis, op het Oera-Linda-Boek toepas en zeg: “het doel dat ik mij voorstelde is bereikt; ik heb de taal van het Oera-Linda-Boek belachelijk willen maken. Dit is voor 't oogenblik voldoende.” Doch velen zullen hiermede niet voldaan zijn. Velen zullen verlangen te hooren tot welk resultaat ik aangaande den tijd waarin, en den persoon waardoor het O.-L.-B. is geschreven, door mijn onderzoek ben gekomen. De niet geringe moeite die de heer B ERK , hoofdonderwijzer te den Helder en ook de heer K NUIVERS te Enkhuizen zich, met de grootste welwillendheid, hebben getroost om alle mogelijke nasporingen in 't werk te stellen ten einde mij alle bereikbare inlichtingen te verschaffen, maken het mij ten pligt, zoodra mogelijk, de slotsom mijner bevindingen wereldkundig te maken. Nog is dit echter niet mogelijk, omdat ik nog geen tijd heb gehad om alle mij medegedeelde berichten en bescheiden kalm te overwegen. Intusschen begint zich hoe langer hoe meer de overtuiging bij mij op te dringen, dat die inlichtingen en bescheiden onfeilbaar tot de ontdekking van den schrijver van 't O.-L.-B. zullen leiden. Die schrijver was, in elk geval, geen alledaagsch man. Zoo op iemand, dan is op hem het gezegde van den dichter toepasselijk, dat luidt:

L'homme est, dans ses écarts, un étrange problème.

Ik kan de pen niet neerleggen zonder met een woord van lof en dank te gewagen van het, in zijn soort, voortreffelijk woordenboek op de gedichten van Gijsbert Japix, dat door een waarlijk bekwamen Fries, 15 met niet geringe degelijkheid, is tot stand gebragt. Blijkt ook uit hetgeen de ver- |61| dienstelijke man hier en daar op etymologisch gebied te berde brengt, dat het licht door Ten Kate reeds in 1723 en door Jacob Grimm en Bopp in 1816 ontstoken, voor hem, evenals voor Bilderdijk en de meeste Nederlandsche taalbeoefenaars van dien tijd, te vergeefs had geschenen, toch zal hij om zijn, met echt Nederlandsche noestheid, voltooid, altijd hoogst bruikbaar werk steeds in dankbaar aandenken blijven. Toen de Middelburgsche Rector zijn boek in 't licht gaf, in 1824, was het getal dergenen die zich, op het voetspoor der evengenoemde corypheeën, met de vergelijkende taalbeoefening en de grondige studie der Germaansche talen inlieten, zoowel hier als elders, nog zeer gering; en dat is wel te begrijpen. Maar dat Friesche geleerden in den jare onzes Heeren 1876, dat is 60 jaar nadat Grimm het 1ste deel zijner Deutsche grammatik heeft in 't licht gegeven, nog zulke vreemdelingen in de grammatica van de kostbare letterkundige overblijfsels der Friesche oudheid zijn, dat zij een afschuwelijk taalkundig knoeiwerk als het Oera-Linda-boek, na langdurige studie, voor een echt gedenkstuk van overoud Friesch hebben aangezien, ja, de barbaarsche wartaal waarin het is geschreven voor ouder en zuiverden verklaren dan de zoo zuivere taal der Oudfriesche oorkonden, 16 dat is inderdaad een zeer betreurenswaardig verschijnsel.

Kampen den 30 Maart 1876.

1
Het boek is door Dr. Ottema uitgegeven onder den titel van Oera-Linda-bok, en dat beteekent letterlijk Oera-Linda- BOK , niet BOEK . Volgens de spelling, in 't Oera-Linda-boek zelf aangenomen, moest het bôk zijn.
terug

2
Tusschen 558-50 VOOR Christus!!!
terug

3
Lang nadat ik mijn voordragt te Maastricht had gehouden, ben ik door de welwillende inlichting van den heer Berk, hoofdonderwijzer te Den Helder, te weten gekomen dat de heer C. Over de Linden, die in de voorrede van Dr. Ottema's bewerking als eigenaar van het O.-L.-B. wordt genoemd, sedert is overleden. De heer C. O. L. woonde in den Helder, waar veel van zijn nazaten thans nog hun verblijf houden. Het handschrift berust thans bij den heer Leendert Flores Over de Linden, zoon van C. O. L.
terug

4
Volgens inlichtingen van den heer Berk bestond er wel reden voor deze zoo lang vertraagde overdragt. Later treed ik in meer bijzonderheden omtrent de verschillende bezitters en bewaarders van het O.-L.-B., waarbij dan ook over dit geheimzinnig vertraag wordt gehandeld.
terug

5
De heer C. O. de Linden bezat alle hulpmiddelen die noodig waren om den inhoud te ontcijferen. Hij schijnt dat ook wel beproefd te hebben, maar zonder gevolg. Ook hier over later meer bijzonderheden, mij door de onvermoeide nasporingen van den heer Berk en den heer Knuivers van Enkhuizen, den welbekenden geschiedschrijver, welwillend medegedeeld.
terug

6
Mr. Nanninga Uitterdijk en ik hadden onzen arbeid in dier voege verdeeld, dat hij de geschiedkundige en ik de taalkundige bewijzen voor de onechtheid van 't O.-L.-B. zou te berde brengen. 's Heeren Nanninga's vertoog wordt in de Handelingen van 't Congres opgenomen.
terug

7
Nunc nova Etymologiarum ars calet, sed, ne dicam dolo, ή νυν τέχνη της προτερον ατεχνίας ου πάνυ τι πιθανώτερα τίκτει.
terug

8
De Vrijheer Von Richthofen heeft zich de niet geringe moeite getroost van in zijn woordenboek al de verschillende vormen op te geven, waaronder een woord in de door hem uitgegeven O.fri. rechtsbronnen voorkomt, terwijl buitendien de beteekenis dier woorden door een magt van voorbeelden wordt gestaafd. Bij een aandachtige studie der O.fri. wetten zal men zien, dat hij zich met groote naauwgezetheid van zijn taak heeft gekweten.
terug

9
Fouten door afschrijvers begaan vindt men in alle mogelijke handschriften, en die ontbreken natuurlijk in O.fri. ook niet.
terug

10
Iedereen weet thans dat Himâlaya uit hima (sneeuw) en alaya = leger is zamengesteld, en dat Himâlaya een bijnaam is van den Himalavat = sneeuwrijk.
terug

11
De Engelsche noemen de Kaap bij verkorting niet the Nose maar the Naze. Kaapnamen op näs of naes vindt men op goede kaarten van Zweden en Denemarken bij menigte. Zoo op de W.-kust van Seeland, achtereenvolgens Ordrups Naes, Refsnaes, Asnaes. 't On. nös is eigenlijk neusgat; neus heet in 't On. nef. Daar de Denen ’t verschil tusschen mannelijk en vrouwelijk hebben verloren, moet men zeggen dat 't De. nœse vr. WAS . Zie pag 55.
terug

12
Vergelijk hecht en heft van een mes. In ehe-lieden is ewa minder geslonken.
terug

13
Verkeerdheden door onkundige Verschlimmbesserer in den Griekschen text ingevoerd rekenen hier natuurlijk niet mee.
terug

14
Wijlen Justus Halbertsma Hiddo's zoon, op kolom 434 van zijn, helaas onvoltooid achtergelaten, Friesch woordenboek.
terug

15
Dr. E. Epkema, in der tijd Rector der Latijnsche school te Middelburg.
terug

16
Zoo even wordt mij bericht dat ook wijlen Mr. DE HAAN HETTEMA de taal van 't O.-L.B. verklaard heeft voor Friesch, ouder dan dat der O.friesche wetten!! 't Is haast niet te gelooven.
terug

naar boven