Oeralindaboek

THT VVRA LINDA BOK. Opnieuw bewerkt en uitgegeven door J.F. OVERWIJN

(deze tekst is ook te downloaden als PDF-bestand)

(Kalma-bibliografie (1956), nr. 614.)
N.V. ENKHUIZER COURANT, v/h D.C. Egmond, Enkhuizen, 1941

|V|

INLEIDING.

1. Algemeene opmerkingen.

Weinig werken hebben bij hun verschijning zooveel stof doen opwaaien als het "Oera Linda Boek", dat we kennen als het "Oera Linda Bok". Het is een verzameling van geschriften, beschrijvende onze voorouders, de Grootfriezen of Fryas en hun geschiedenis vanaf tenminste 10000 jaar v. Christus tot en met den Romeinschen tijd, dus kort na Christus. Het werk werd met groote toewijding en zorg bewaard in het geslacht "Over de Linden". In den tijd, dat er nog geen familienamen waren, zooals wij die thans kennen, was deze naam een eerenaam, die gedragen werd door de verdienstelijksten. Er zijn dus verschillende geslachten geweest, die dezen naam hebben mogen voeren. Er bestaat ook een naam "Onder de Linden", die evenals dat van "Over de Linden" tot op den huidigen dag voortleeft en in de heraldiek zelfs parallel gaat. Het bewaren van de geschriften ging menigmaal met lijfsgevaar gepaard, waarvan de aanhef van het boek een staaltje geeft. Daarom moet deze prestatie van dit geslacht "Over de Linden" met eerbied en groote dankbaarheid vermeld worden.
Wanneer dan ook schrijver dezes zich verplicht ziet hier en daar eens minder vriendelijk over de 'afschrijvers' te spreken, dan beteekent dat niet, dat hij zou vergeten, dat het afschrijven met de beste bedoelingen is geschied en zeer zeker nooit, om te vervalschen, hoe dan ook. Er zijn echter sporen van ingrijping van buitenaf en daartegenover kan men natuurlijk niet meer spreken van beste 'bedoelingen'. Het plotselinge afbreken van het werk met de geschiedenis van Zwarten Adel bijv. is voorzeker geen toeval. Ik wil in het midden laten, of er in den Romeinschen tijd goede reden was het geschrift niet meer voort te zetten, of er een deel af te nemen, hoewel ik daar zeker het mijne van denk. We weten enkele zaken met stelligheid en daarover kan ik het hebben, n.l. Ten eerste is de oppositie tegen het Oera Linda Bok, dat nu verder met de letters "O.L.B." zal
|VI| worden aangegeven - in Friesland het felst geweest. Nergens is er zoo'n rancune tegen het werk aan den dag getreden. En nu vraagt de lezer natuurlijk: hoe vreemd, want het heet toch een, Friesch werk te zijn? Welnu, dat is het niet in den gangbaren zin des woords. Het is n.l. geen werk en het verhaalt niet de geschiedenis van Midfriezen - dat is dus van de Friezen van Friesland - maar die van de Grootfriezen, of "Fryas. De Fryas zijn de gemeenschappelijke stamouders van het Nederlandsche, het Engelsche", het Deensche, het Skandinaafsche, IJslandsche en het Letsche volk, bij benadering aangegeven. Hierbij moet dan worden vermeld, dat - voor wat ns betreft - alleen de Westfriezen, wereldgeschiedenis hebben gemaakt.
Tegen het einde van het O.L.B. verneemt men dan ook de bittere klacht, dat het opteekenen van de geschiedenis eigenlijk toch niets meer geeft, want dat het met de Fyras uit is. De vervaltijd was toen dus reeds volledig ingetreden. Welnu, de roemrijke energie der Fryas werd weer overgenomen en meesterlijk, door de Westfriezen om het even of zij nu k 'Hollanders' heetten. Trouwens er zijn legio voorbeelden voor het grijpen, dat het Nederlandsch - al heeft het dan een anderen vorm - even dicht bij het Oer grootfriesch staat als het Midfriesch en toen het Nederlandsch nog den vorm van het Westfriesch had, was dit zr zeker volkomen onbetwistbaar. De gemiddelde taal van het O.L.B. is die, welke een goede 600 v. Chr. normaal in onze landen gesproken werd, d.w.z. vanaf Denemarken tot aan de Seine. De uiterlijke vorm is Westfriesch, waarbij het huidige Nederlandsch den innerlijken vorm vrijwel geheel heeft bewaard. Er zijn deelen, die veel jonger zijn, maar ook, vooral woorden, die eenige duizenden jaren ouder zijn. Het afschrijven heeft o.a. tot gevolg gehad, dat er jongere woorden en wendingen in den tekst zijn geslopen. Deze eigenaardigheid van den tekst is den critici, die zich geen moeite hebben bespaard om een lawine van wrange en spijtige dooddoeners over het werk uit te gieten - aanleiding geworden, om met uitbundig leedvermaak uit te roepen: "Het O.L.B. is valsch, want ziet: het is geen Friesch". (Dr. Beekering Vinckers o.a.). Maar - zij vergaten, dat het ook inderdaad geen Midfriesch is. Het handige speculeeren op de populaire misvatting, als zou Friesland de eenige Friezen hebben bevat,
|VII| werd met het noodige lan uitgevoerd, maar met de waarheid heeft dit alles maar bitter weinig uit te staan. Intusschen het O.L.B. moest en zou eraan! Het klopte niet met een reeks van populaire geschiedkundige fabeltjes en dus was het doodvonnis spoedig geteekend. Met de voltrekking loopt het echter mis, want: 1) Is er nog nooit een officiel, wetenschappelijk, ernstig onderzoek naar het O.L.B. ingesteld en 2). Is het nog nooit en aan niemand gelukt een schijn van deugdelijk bewijs te leveren tegen wien dan ook van de vele verdachten van de zoogenaamde "vervalsching".
In het aangezicht van dit alles, vraag ik me af, welk nut het kan hebben den lezer lastig te vallen met een lange uiteenzetting van de vele nuttelooze aanvallen op het O.L.B., terwijl elk onvooringenomen kenner weet, dat deze toch maar op niets zijn uitgeloopen. Toch maakt schrijver zich er allerminst gemakkelijk van af. Zulks zal uit het verloop dezer inleiding blijken!
Niet alleen [e]chter in Friesland was de oppositie sterk. De Berlijnsche Universiteit heeft eenige jaren geleden in een speciale zitting het O.L.B. voor valsch verklaard.. Daarbij is iets zeer opmerkelijks en dat is, dat de verdedigers waren: Prof. H. Wirth, die het O.L.B. al eens in het Duitsch had vertaald en Prof. Weiss, een wereldberoemd Duitsch Sanskritist. Nu kan men zich de verdediging door Prof. Wirth, die voorheen leeraar te Sneek was en veel merkwaardig goed werk te dezen opzichte heeft geleverd, best begrijpen, maar dat een beroemd Sanskritist dit doet, moge zoo op het eerste gezicht merkwaardig lijken. Verderop zal echter blijken, dat dit allerminst uitzonderlijk mag heeten, maar onmiddellijk voor de hand ligt. Zoo zal worden aangetoond, dat het Oergrootfriesch van huis uit een taal was, die men een parallel aan het Sanskriet moet noemen. Het Littausch bijvoorbeeld, waarover o.a. in het O.L.B. ook sprake is, staat nog vlak naast het Sanskriet en zulks tot op den huidigen dag. Met verder geen enkele Europeesche taal is dit het geval.
Een opmerking betreffende de Batavieren is hier op zijn plaats, omdat algemeen de indruk is gevestigd geworden, als zouden de Batavieren een 'afzonderlijke' (!) stam zijn, waarvan wij afstammen. Welnu de naam helpt ons over die moeilijkheid heen. "Bat" is n.l. de oude naam voor de Maas. "Ab" beteekent
|VIII| 'wetering', zooals men kan zien uit plaatsnamen als "Abcoude, Abbekerke, Abbebroek, Abwoude, Abbewier (wetering overlaat) enz. enz.". ["Vor" (meerv. 'viri') is het Latijnsche woord voor 'man' (mannen)]. "Bataviri" waren dus voor de Romeinen de lieden, die aan de "Batab" (Maaswetering), dus aan de Waal' zaten (onder andere), derhalve "Batablieden", of "Waalzaten". Nu zijn echter de woorden "Bat" en "ab" Grootfriesch, zoodat we met Grootfriezen te maken hebben en met niets anders. Trouwens de Romeinen spreken hier en daar reeds van 'Frisiavoni' (Frieschachtigen), omdat zij inzagen met Grootfriezen te maken te hebben. De Maas liep in haar oude bedding vanaf Batenburg (Maasburcht) naar (Rilland) Bat door de Oisterwijksche vennen, die er een rest van zijn. Betuwe = Batowe = Maasland; Veluwe = Vvl owe = vuil (slecht) land.

2. Eenige feitelijke gegevens omtrent het O.L.B.

Het handschrift of manuscript, waarnaar dit werk geleverd wordt, is dat van Hiddo Oera Linda van 1256. Het werd mij welwillend ter inzage verstrekt door de Prov. Bibliotheek (Kanselarij) te Leeuwarden. Er is een uitgebreide pennestrijd over gevoerd of dit manucsript werkelijk dat van Hiddo is of niet. Welnu, wat daar nu verder van zij, we weten, dat het eenige malen is afgeschreven, zoodat ons aan dit strijdpunt weinig gelegen kan zijn. Wat de hoofdzaak is, moet de hoofdzaak blijven en die is: Heeft men eraan "gedokterd" en hoeveel? Welnu, dit valt ten zeerste mee. Er is over dit onderwerp reeds het een en ander gezegd en de onbevooroordeelde lezer zal na lezing van inleiding en werk voor zichzelf kunnen uit maken, dat men het niet 'bont' heeft gemaakt. Wat betreft de 'moderne' inhoud van vele der wetten, waarin men nu eerst recht de zoogezegde vervalsching meent te kunnen zien, wordt opgemerkt, dat men in de oeroude Indische boeken en/of fragmenten, soortgelijke gedachten vindt uitgedrukt en men zal dat werk toch niet aan een der zoogezegde vervalschers in de schoenen schuiven. Vooral niet deze Indische werken, die niet dan voor ingewijde Indirs toegankelijk zijn. Wat, hier en daar duister aandoet in het O.L.B., is niet het gevolg van mystificatie door een of anderen moedwilligen vervalscher, maar van de omstandigheid, dat er in de meeste gevallen zulk een eeuwenlange tijd ligt tusschen het voorval en de opteeke
|IX| ning ervan, zoodat dus de gebeurtenis voor de kroniekschrijvers reeds in de grijze oudheid lag.
De schrijvers of schrijfsters melden zich steeds met naam en toenaam, men weet steeds, wie het is. Zoo kan men dan de volgende opsomming samenstellen:
1) Het boek van Adela (blz. 4 120), voortgezet door
2) Adelbrost en Apollonia (blz. 122 128).
3) Het boek van Apollonia (blz. 128 154).
4) Het boek van Freethorik (blz. 156 180).
5) Het boek van Wiljow (blz. 180 192).
6) Het boek van Konereed (blz. 194 226).
7) Het boek van Beeden (blz. 226 232).
Tusschen 3) en 4) ligt een periode van vermoedelijk 250 tot 300 jaar. Waar gedeelten ontbraken, wordt dit in den tekst aangegeven. Het boek van Adela zal 600 j. v. Chr. geschreven zijn. Dat van Beeden, waarin Zwarte Adel wordt beschreven, is van het begin van den Romeinschen tijd in ons land.
Aan het handschrift van Hiddo is dat van Liko Oera Linda voorafgegaan in 800 n. Chr. Verloren gegaan zijn:
Tht bok thra sanga. - Het liederenboek.
Tht bok thra tellingar. - Het Vertellingenboek.
Tht Hellnja bok. - Het boek van Hellenia.
Tha skrifta fon Delia jeftha Hellnja. - De geschriften van Delia of Hellenia.
Nu zijn al deze boeken behalve het vertelselboek "Keltode" geschriften. Dit wordt vooral duidelijk, als men bedenkt, dat de Druden, de nigen waren, die liederen verspreidden, zongen, componeerden en vooral de muziek beoefenden. De "Barden" waren de eigenlijke zangers, maar zij zijn dan ook uitdrukkelijk de leerlingen der Druden. Dit heeft zeer zeker iets met het verdwijnen dezer boeken te maken, want verderop zal worden aangetoond, dat ook het boek van Hellenia daaronder valt. Hierbij gelieve men dan te bedenken, wat er later wordt opgemerkt bij de behandeling van de prediking van het Christendom in onze landen door de Iro Schotsche predikers, wier aanwezigheid men volkomen heeft pogen uit te wisschen. De woorden der liederen waren natuurlijk Fryasch.
De eerste vertaling van het O.L.B. in het Nederlandsch geschiedde door Dr. J.G. Ottema, van welke vertaling reeds kort na den eerste in 1876 een tweeden druk werd beleefd. Verder
|X| is het tot op heden niet gekomen, hoewel er van de hand van Dr. J.G. Ottema, conrector aan het gymnasium te Leeuwarden en een uitstekend classicus enkele kleinere, desbetreffende geschriften zijn verschenen.
Daarom werd er bij deze een nieuwe bewerking ondernomen en uitgegeven. Het lofwaardige werk van Ottema, die in verband met de taal van het O.L.B., waarvan geen woordenboeken bestonden, voor groote moeilijkheden stond, is zeer zeker niet naar behooren beloond. Veel meer dan tegenwerking heeft hij niet ondervonden. Een zeer kleine kring van vrienden en medestanders bleef hem trouw, waaruit nog eens ten overvloede de Midfriesche oppositie blijkt.
Hoe hoog men nu echter het werk van Ottema ook schatten wil, het was niet anders te verwachten dan dat er in zijn bewerking onnauwkeurigheden en misvattingen moesten sluipen. Ottema meende, dat een nagenoeg woordelijke vertaling de beste zou zijn. Hiermede heeft hij ongetwijfeld zijn opvolgers in deze materie een onschatbaren dienst bewezen door de woordkennis, die aan hen werd overgedragen. Thans echter moge ook aan de eischen van stijl e.d. tegemoet worden gekomen.
Bij de bewerking van deze uitgave is dan ook de Fryasche tekst geheel in overeenstemming met het handschrift gebracht en is de vertaling geheel herzien.
De bladzijdenummers van het handschrift zijn bovenaan de bladzijden van den Frya tekst tusschen haakjes aangegeven.
Tenslotte zij vermeld, dat het handschrift in 1858 voor het eerst aan den dag is gekomen door toedoen van Cornelis Over de Linden, die het van zijn familie had ontvangen. Het had jarenlang bij hem gelegen zonder dat hij een juist begrip had van wat er nu eigenlijk in zijn huis lag. Wl vermoedde hij, dat het iets met zijn afstamming te maken had. Veel verder is hij niet gekomen, omdat hij hoogstens een beetje Midfriesch, maar geen Fryasch kende. Zoowel Cornelis Over de Linden uit den Helder, als allen, die aan de opheldering van het O.L.B. hebben medegewerkt, werden prompt tot de "vervalschers" verklaard.
Onder hen vooral Dr. Eelco Verwijs van de Provinciale
|XI| Bibliotheek te Leeuwarden, die na het bekend worden van het manuscript gevraagd had het te mogen inzien. Maar men heeft niet geschroomd zelfs Dr. Ottema, er ook in te betrekken, die eerst vl later inzage van het werk kreeg. De overlevering in de familie Over de Linden is volkomen regelmatig en dood gewoon. Het manuscript is steeds met groote zorg bewaard en op volstrekt normale wijze van vader op zoon of van moeder of tante op dochter of neef overgedragen. Cornelis ontving het van zijn tante Aafje, terwijl zijn vader had beschikt, dat het in geen geval aan zijn jongeren broer zou worden gegeven, daar men die niet ernstig genoeg achtte om het werk te bezitten.
Het uitpluizen van alles, wat hiermede annex is, vereischt een afzonderlijk geschrift, en kan hier niet in den breede worden gedaan. In ieder geval kwam het O.L.B. in West Friesland aan het licht en was het Enkhuizen van waaruit het bekend werd en waar ook dit nieuwe werk verschijnt.

3. Gezag en Ouderdom van het Oera Linda Bok.


In deze paragraaf zal worden aangetoond, wat het O.L.B. nu eigenlijk is. Allereerst hangt er zeer veel af van de vraag, wat we onder "Atlantis" hebben te verstaan.
[]
|XXXXI|
[]

4. Definiering van het O.L.B.


Dat ongeacht alles wat men wl of niet met het O.L.B. mocht hebben ondernomen, de inhoud achterhaalbaar is, meen ik in het voorgaande te hebben aangetoond. De echtheid van het O.L.B. is zijn beteekenis en allerlei bijzaken van schrift papier en wat dies meer zij, doen er niets aan toe of af.
Het O.L.B. is de oudste, volledigste en meest omvattende kroniek van den voortijd van welk volk dan ook. Het is voor wat zijn oudste teksten betreft, tenminste 8000 jaar ouder dan het Oude Testament. Het is ouder dan de Vedantes en ouder dan onverschillig welk geschrift dan ook.
Het O.L.B. is de opteekening van fragmenten uit den wereldstrijd van de Indide wereldgedachte tegen de Atlantide. Het is het getuigen van den eeuwenouden strijd van beide geestesrichtingen die, hoewel zij elkaar naar het leven staan, niet elkanders vollediger ondergang bewerken, omdat de wereld hongert naar het algemeene, naar het universeele, dat door dezen strijd wordt opgebracht. Zonder dat alles komt er geen helderheid van geest en gaat het denken den dood der eenvormigheid in.
Zoo is het O.L.B. van onschatbare waarde als document uit den alleroudsten voortijd van dezen wereldstrijd des geestes. En hoezeer moeten wij ons goede gesternte prijzen, alsmede de ongebroken standvastigheid van het geslacht der "Over De Lindens", die ons dit eerbiedwaardige werk in handen hebben gegeven. Dit eenvoudige, natuurlijke Indide document is als het ware door het oog van een naald gegaan, om aan den greep der Atlantiden te ontsnappen.

5. Het Frya Alfabet en Schrift.

Van het alfabet zegt het O.L.B., dat het door Frya aan het volk werd gegeven. Hiermede wordt de oorsprong dus legendarisch gehouden en daarom is het zaak, het O.L.B. alfabet eens voor zichzelf te laten spreken.
Het alfabet is geheel van het zonnewiel afgeleid, dus van
|XXXXII| het Jol. []
|LIV|
[]

6. Het Jol en zijn perioden.


Wat blz. 65 van het handschrift betreft, wordt erop gewezen, dat de drie jolcirkels, die ook onder de afbeelding van de cijfers voorkomen, de periode bevatten, waaromtrent het O.L.B. schrijft, althans gegevens verschaft. Elke jolcirkel vertegenwoordigt 6 segmenten, dat is 6000 jaar. Tezamen dus 18,000 jaar.
Aangezien nu uit het O.L.B. bij twee profetien (blz. 117 en 191) blijkt, dat het jaar 2807 het einde van den derden jolcirkel is, n.l. het jaar, waarin het licht (der Broederschappen) in vollen glans over de wereld zal schijnen en alle dwang zal zijn verdwenen na een vreeslijken strijd - volgt hieruit, dat dan de eerste jolcirkel begint met het jaar (2807 n. Chr. - 18,000 maakt:) 15,193 jaar vr Chr. Zoodoende kan men aannemen, dat de werkelijke afscheiding, definiering of zelfstandige denkarbeid der Fryas begint in de Indin met 15,193 jaar vr Chr. naar onze jaartelling. Dit was dus de tijd, dat de Broederschappen nog volledig werkzaam waren, terwijl zij tegen 12,000 v.
|LVI| Chr. begonnen te kwijnen, in welke periode de groote trek der Fryas en een deel hunner Indische meesters en genooten, eerst recht begon. En niet geringe aanleiding kan daartoe ook geweest zijn het binnenvallen der Atlantiden in het Indide Egypte, omstreeks 12,000 v. Chr., een voor de Broederschapcultuur gevaarlijke verovering, al ging die dan ook zonder bloedvergieten.
Dit alles geschiedde dus in het bestek van den eersten jolcirkel: "Wr.alda" en wel 193 jaar voorbij de derde spaak, of ook voorbij het laagste punt van den cirkel. Ruw weg dus bij de helft van het eerste jol. Neemt men nu de drie punten, die bovenaan de jolcirkels staan, dan kan men daarbij schrijven: 15,193 en 9193 v. Chr. bij den eersten; 9193 en 3193 bij den tweeden; 3193 v. Chr. en 2807 n. Chr. bij den derden. De ondergang van Atland in 2193 v. Chr. geschiedde dus in den derden jolcirkel en wel precies n spaak voorbij het hoogste punt, dus tusschen "t." en "b" in. Dit komt dan ook voortreffelijk overeen met, wat voorheen werd uiteengezet bij de drie Indische Maagden, n.l. "Worden" (Wr.alda jol) - "Werd" (t.anfang jol) - Geworden" (t.bijin jol), dit laatste, zooals werd uiteengezet "ONS" jol, d.w.z. het voor het menschdom ter volledige afwikkeling bestemde en geschikte jol. Afgaande op de gevonden verdeeling, kan men in het tweede jol tusschen de le en 3e spaak een gebeurtenis van gewicht aannemen, dus bij de tweede spaak dus tusschen en "a" en "n", dat is 2000 jaar na 9193 v. Chr., derhalve ongeveer 7193 jaar v. Chr. Dit blijkt dan de periode van de definitieve afscheiding der zich door Atlantide vorming gewijzigd hebbende Fryas, n.l. der Kelten. Deze laatsten treden van dan af f zelfstandig, f met ons samen op in de vorming onzer wereld. Dit werd ook in "Huis-en Grafteekens" door mij langs andere wegen aangetoond.

8. Slotopmerkingen.

Het is niet mogelijk op alles in te gaan, wat hier zooal te berde is gebracht, d.w.z. niet in den breede, zooals dat wel wenschelijk zou zijn. Intusschen werd toch aangestipt, wat er eigenlijk aan de orde is en dat laatste is iets grootsch. Indien
|LVII| men na het lezen der Inleiding het O.L.B. leest en de Toelichtingen daarbij raadpleegt, verkrijgt men een beeld van de situatie, zooals zij werkelijk was. Men zal zich er wel eens over verwonderen, dat een en ander van ons verwijderd is gehouden terwijl toch alle gegevens voor een ieder, die dat wenschte toegankelijk waren. De oorzaak is gelegen in de omstandigheid, dat de hevige kritieken bij het verschijnen van het boek door grootendeels f onbevoegden, f muggenzifters het O.L.B. en in het algemeen lk werk tijdelijk of voor goed konden dooden. Het ware misschien beter geweest, indien men gezegd zou hebben: "si non vero, ben trovato".
Het O.L.B. is de werkelijke kroniek van den voortijd van de Nederlanden, dat is dus van Groot West Friesland. Wat wij zijn, is dt!! Noord en Oost Friesland zijn niet meer.
En moge het den lezer verheugen, dat het O.L.B. in ons midden is!

J.F. OVERWIJN.

Dordrecht, Augustus 1941.


naar boven